3.
Sy riepen u, in alle nooden, aan,
En zyn geredt. Op u, hoe seer gepraamt,
Vertrouwden sy, en wierden niet beschaamt,
Noch ooit begeeven.
Maar ik, helaas, een aardworm in dit leeven,
En dies geen man, ben slechs een smaad van menschen,
En van het volk, met duisend quaade wenschen,
Als stank, veracht.