12.
Dan gaat de mensch vry uit syn huis, met lust,
En doet syn werk, den ganschen dag gerust,
Dan arbeidt hy, op akkers, en aan boomen,
Tot hy vermoeit den aavond op siet koomen.
Hoe groot, o Heer, is 't werk van uwe hand!
Gy maakte 't al, met wysheit, en verstand.
Het aardryk is, van voortgebragte dingen,
Alom vol goeds, door uwe seegeningen.