2.
O God, gy deed, noch booven dien,
Uw volk een harde saake sien,
Gy hebt ons, als met wyn, gedrenkt,
Die 't hoofd, door swymelingen, krenkt.
Maar nu zo geeftge goedertier,
Aan die u vreesen, een banier,
Seer hoog, en heerlik opgesteeken,
Als tot uw trouwe waarheits teeken.