4.
Want hunne mond spreekt loogens onder eeden,
Hun trouwhand is een hand vol valsigheeden.
Dan sing ik u, o God van Israël,
Een lied vol nieuws, op 't braaf tiensnaarig spel.
Dan psalmsing ik u, op de luit, daar neeven,
Gy hebt veel heils aan kooningen gegeeven,
Ook David, die uw knecht is, eer ontset,
En van 't vervolg des boosen swaards geredt.