5.
Nu woonen, door uw onderstand,
Uw arme dieren in dit land,
Na datse 't lang begingen.
O God, het is uw goedigheit,
Die 't vruchtbaar maakt, en toebereidt,
Voor uw ellendelingen.
Nu geeft de Heer, door slag, op slag,
Weer stoffe, dat men spreeken mag,
Want tot des volks verblyding,
Komt meenig heir van loopers aan,
En boodschapt, hier, en daar van daan,
Ons deese goede tyding: