3.
Die is zo frisch getooit,
Als eenig bruigom ooit
Uit syne slaapsaal gaat.
Of als een vroolik held,
Die, op een pad, in 't veld,
Tot loopen vaardig staat.
Haar uitgang is, en wendt,
Van 't end, tot aan het end
Der ronde heemelsaalen.
Voor haaren heeten schyn
Kan niets verborgen zyn,
Zo heet zyn ook haar straalen.