3.
Die, naa de dood te niete was gedaan,
Als temmer van de helsche schaaren,
Den derden dag, weer opgestaan,
Ten heemel seegeryk gevaaren,
Aan syne Vaaders rechterhand,
Syn seetel heerlik houdt geplant.
Van waar hy, met basuingeschal,
Op wolken weederkoomen zal,
Op dat hy van het doode volk zo wel,
Als van wat leeft, het oordeel vel.