2.
Want, Heere, sie, de booswigt, trots van aart,
Roemt dat syn ziel na haaren wensch geschiedt,
En seegent dies den ryken gierigaart,
Veracht den Heer, steekt, tot uw volks verdriet,
Syn neus om hoog, en ondersoekt zo niet.
Daar is geen God, na alle syn gedachten,
Of isser een, hy heeft geringe krachten.