3 pause.
12.
Gy, die den Heer blyft vreesen, geest hem lof.
Gy Jakobs saad, gy saad van Israël,
Eert hem alleen, ontsiet hem alle wel:
Want in myn stryden
Verachtte, noch verfoeide hy myn lyden,
Noch burg voor steeds syn aansigt voor den armen,
Riep hy bedrukt tot hem, hy heeft syn karmen
Gehoor verleent.