Pause.
6.
Maar doodse niet met eene smeete,
Op dat myn volk het niet vergeete,
Uw magt die dryfse gins, en weer,
En werp hun stoel, en staat ter neer.
Heer, onse schild, straf dus de son den
Van hunne toomeloose monden,
En van zo meenig schandlik woord,
Als uit hun lippen werdt gehoort.