2.
Men kent, in haar palleisen, God,
Als voor haar hoogst, en seegbaarst slot.
Want, siet, de kooningen vergaarden,
En toogen saam, tot syse naarden.
Maar zo syse saagen staan,
Sonder dicht daar by te gaan,
Zoo verwondert, zoo verslaagen,
Van verschriktheit aan 't vertsaagen,
Vlooden sy, om niet te sneeven,
In der haast, als weggedreeven.