68.
Uw aansigts licht beschyn, op myn gebed,
Uw droeven knecht, en leerme, tot een teeken
Van uwe gunst, 't geen gy hebt ingeset.
Daar vlieten uit myn oogen waaterbeeken,
Om dat veel volks uw onbevlekte wet
Niet onderhoudt, maar, grouwlik vuil, derft breeken.