25.
Hy had daar toe veel engelen gesonden,
Die sonderling op 't quaaddoen sich verstonden.
Hy woeg, na recht, een pad voor synen tooren,
Onttrok hun ziel, niet meer, als van te vooren,
Van 's doods geweld, maar gaf, door al 't gewest,
Hun leeven doe ook oover aan de pest.