7.
Weerhou uw knecht met een
Van alle trotsigheen,
Geen moedwil heersch in my.
Dan werd ik, dus bewaart,
Oprecht, en rein verklaart,
Steeds van veel afvals vry.
Heer, die myn rotssteen zyt,
En my verlost, ten spyt
Van alle, die my plaagen,
Laat wat myn mondt al segt,
Myn hart ooit ooverlegt,
Uw aansigt wel behaagen.