3.
God is in 't midden van haar muuren,
Dies zal sy onbeweeglik duuren.
Breekt s morgens vroeg het daglicht aan,
Sy vindt Gods hulpe voor haar staan.
De heidens raasden, als uitsinnig,
En ryk, by ryk bewoog sich vinnig,
Hy gaf sijn stem, met groot getier,
En 't aardryk smolt van dondervier,