14.
Voorts quam op hen gevleugelt vleisch van boven.
Zo dicht, als stof, gereegent, aangestooven.
Als 't zeesand was het voogelheir te tellen,
Dat syne hand, voor al die lustgesellen,
In 't midden van hun leeger, vallen dee,
Als ook rondom hun wooning daar ter stee.