8.
Zo schenkt hy wyn, die 's menschen hart verheugt,
En 't aansigt meer doet blinken, door syn deugd,
Dan oli doet. Zo geeft hy brood te nutten,
Om 's menschen hart, voor swymen, t'onderstutten.
Het wild geboomt des Heeren, mee versaadt,
Groeit, sonder dat de mensch het gaade slaat,
Zo groeijen ook syn eige hands plantsoenen,
De ceederen, die op den Liban groenen.