10.
Dat hunne spys, en taafeliekkerny
Ten drik gedy, voo had baldaadig leeven,
En om vol op vergeldingen te geeven,
Geef dat hun lust hun tot een valstrik zy.
Laat duisternis, op datse son, noch maan
Na deesen sien, hun oog, en sinnen schenden,
En doese steeds al waggelende gaan,
Als magteloos van doorgekraakte lenden.