2.
Want, sie, men legt myn ziele laagen,
Sterk volk rot saam, om my te jaagen,
Daar ik geen afval, noch een ding,
Dat iets na sonde sweemt, beging.
En schoon ik, Heer, hun niets misdeede,
Elk loopt syn best, en maakt sich reede,
Zo waak dan op, ontmoet my draa,
En sie in wat gevaar ik staa.