3.
Dat alle syne gunstelingen,
Om zulk een eer, van vreugd opspringen,
Ja datse van zo groote dingen,
's Nachts op hun leegers, singen.
De lofsang, die Gods eer betreft,
Is in hun keel, die hem verheft,
Ook voert hun hand een ongeschaardt,
En scherp tweesnydend swaard.