55.
Ik draag myn ziel, geduurig loos verspiedt,
Als in myn hand, men soektme t'achterhaalen,
Nochtans vergeet ik uwe wetten niet.
Het godloos volk, dat naa myn dood dorst taalen,
Vlocht strikken, die 't verborgen leggen liet,
Noch saagtge my van uw bevel niet dwaalen.