5.
Dus verschrikt, en beeft het al.
Maar het heeft een beeter val,
In syn tempels heilig hof,
Daar seit elk syn eer, en lof.
Eer een sondvloed schaade deede,
Sat de Heer daar oover meede,
Noch sit God, de Heer, als kooning,
Eeuwig heerscht hy in syn wooning.