7.
Zo zal ik 't volk, dat van uw weegen week,
Het rechte spoor, door mynen voorgang, leeren,
Op dat tot u de sondaars weederkeeren,
Als hun uw gunst, aan my beweesen, bleek.
Verlos doch my, en al myn huis, van 't bloed,
Dat ik, o God, myn Heilgod, heb vergooten,
Zo zal myn tong, uit een verheugt gemoed,
Voor 't gunstig recht, door sang, uw roem vergrooten.