3.
Den heemel, Heer, belydt uw wonderbaaren aart,
Ook looft dies't heilig volk u waarheit, saam vergaart.
Want wie mag in de lucht, en 's hemels hooge streekẽ,
In waardigheeden, by den Heere zyn geleeken?
Wie isser ook op aard, by kinderen der sterken,
In 't minst den Heer gelyk, met syne grootste werken?