5.
Berg my voor 's vyands aangesigt,
Die godloos naa myn ziel derft dingen,
My gaarn verwoest, en blyft omringen.
Sie doch, syn vet omsluit hem dicht.
Syn mond spreekt hoog, en schynt te swellen.
Sulk volk omringt nu onsen gang,
En set hun oog, in groot verlang,
Om ons ter aarde neer te vellen.