Skip to content
1674

Davids Psalmen

Joannes Six van Chandelier

3.

Wie, laas, syn saad met traanen saait, Maait met gejuich, wanneer hy maait. Wie saad draagt, dat hy saaijen moet, Gaat steeds, al gaande, voet, voor voet, En hy beweent het wel in 't saaijen, Maar keert, na hy syn oegst ging maaijen, Vol juichens weer, komt met gesang, En draagt syn schooven, daagen lang.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids Psalmen · Joannes Six van Chandelier · Poetry Cove