2.
Komt, scheuren wy, zo luidt hun ooverleg,
De banden van hun heerschappy aan stukken,
En werpen wy hun touwen van ons weg,
Wal lust ons voor zo swaaren jok te bukken?
Maar hy, die in de heemelen geseeten,
Als aller Heer, ook alles gaade slaat,
Lacht smaadiglyk om 't geen sy sich vermeeten,
En dryft den spot met al hun dwaasen raad.