5.
Des Heeren vrees is rein,
En blyft de deugdfontein,
Voor eeuwig, in syn naam,
De rechten van den Heer
Zyn waar, en ryk van leer,
Rechtvaardig al te saam.
Geen goud gelykt zo eel,
Ja goud, schoon fyn, en veel,
Is geensins zoo begeerlik.
Geen hoonig is zo goed,
Geen hoonigseem zo soet,
Haar vrucht duurt onwaardeerlik.