20.
Gedenk, o Heer, des smaads, aan uwe knechts gedaan,
Dien ik, van allerlei groot volk aan ons begaan,
In mynen boesem draag. Hoor, Heer, uw vyand snappẽ,
Hoe smaadt hy uwen naam! Hoe derft hy al de stappen
Van uw gesalfdens voet, met veel versmaadheits, bláamen!
Den Heer zy eeuwig lof, elk sing dan, amen, amen.