2.
Ik sag uw eer, en sterke kracht,
In 't heiligdom, zo schoon ontvouwen,
Dat ik, om u eens weer t'aanschouwen,
Noch dag, noch nacht, niet anders tracht.
Doch wyl uw goedigheits bewysen,
Ook in het naarst van dees woestyn,
My beeter dan het leeven zyn,
Zo blyven u myn lippen prysen.