11.
Gy schold het volk, dat willens, trots van ziel,
En dies vervloekt, den dwaalweg in gaat streeven,
En siende blind van uw gebod verviel.
Rol hoon, en smaad, van myn onnoosel leeven,
Op dieme laakt, want, Heer, ik onderhiel
Den raad na uw getuigenis beschreeven.