12.
Daar hy nochtans van booven, tot hun leeven,
Gebooden aan de wolken had gegeeven,
De deuren van den heemel oopen maakte,
Het manna, dat recht voedsaam lieflik smaakte,
Als reegen, om te eeten, op hen goot,
En heemelsch koorn hun gaf voor daagliks brood.