9.
Ik loop met u door benden keurelingen,
En kan een muur met mynen God bespringen.
Gods weegen zyn volmaakt, en heel oprecht,
Doorloutert is 't al wat de Heere segt.
Hy is een schild, ter weer van alle vloeken,
Voor alle, die by hem hun toevlucht soeken.
Want wie is God, dan hy de Heer met een?
Wie is een rots, dan onse God alleen?