3.
Psalmsingt den Heer, met harp, en keelen,
Met harp, en stemmen van gesank,
Trompet, en laat basuinen speelen,
Paart, op de maate, klank, aan klank.
Juicht vroolik voor den Heer, dien kooning,
Ook dondere de volle zee,
De weereld sing, en wat syn wooning
Daar in gevest heeft doe zo mee.