8.
Hy leeft vol heils, en nooit verleegen,
Men geeft hem Schebaas goud,
Bidt steeds voor hem, en wenscht, met seegen,
Hem daagliks syn behoud.
Is slechs een hand vol koorns gekoomen,
In 't hoogst van 't bergryk land,
Haar vrucht zal ruisschen, als de boomen
Op Libans kruin geplant.