8.
Gy stelt ons, in de heidensteeden,
Ten spreekwoord, klucht, en lasterreeden.
Een ieder landsvolk schudt den kop,
En vloekt ons uit een bittre krop.
Ik sie myn schande voor my staan,
En al den dag niet eens vertrekken,
Ik weet myn oog niet op te slaan,
De schaamte blyft myn aansigt dekken.