9.
Sy gaan al, van den nood gedreeven,
Om eeten, gins, en weeder, sweeven,
Vernachten ook, al zynse niet
Versaadigt, dan van groot verdriet.
Maar ik sing 's morgens, onder 't daagen,
Uw sterkte, met een groot behaagen,
En roeme vroolik, uwe magt,
En goede gunst, die aan my dacht.