Pause.
4.
Maar 's Heeren wet leertmeer,
Haar heel volmaakte leer
Herstelt de ziel door vreugd.
Des Heeren woord gaat wis,
Syn monds getuigenis
Maakt slechten wys in deugd.
Des Heeren gansch bevel,
Onfeilbaar, recht, en wel,
Verblydt het hart, en sinnen.
Al wat de Heer gebiedt
Is klaar voor die 't besiet,
't Verlicht het oog van binnen.