8.
O vorst, gy had uw vaaderen voor deesen,
Nu zullen in hun plaats uw soonen weesen,
En, door uw magt, en heerlik ryksgeweld,
Tot vorsten van al 't aardryk zyn gestelt.
Ik zal uw naam doen blyven in gedachten,
Van 't voorgeslacht, in alle naageslachten,
Waarom al 't volk, voor eeuwig, oover al,
Ook uwen lof altoos belyden zal.