3.
Alsdan, wanneer hun magt sich saamen spant,
Zal hy tot hen, in syne toorne, spreeken,
En vinnig van syn grimmigheit aan brand,
Hun moedig hart, door schrik verbaast, doen breeken,
Wat gaat gy aan, gy goddeloos geslachte?
Ik salfde doch myn kooning, dien gy smaadt,
Tot vorst des bergs, dien ik my heilig achte,
En stelde self hem oover Zions staat.