3 pause.
11.
Stort oover hen den vloed uws gramschaps neêr,
Uw heete toorn die grypse by de beenen,
Hun trots palleis val plots verwoest daar heenen,
Geen mensch bewoon hun schoone tenten meer.
Want dienge sloegt, gelykge my kastydt,
Die wierdt vervolgt, niet min van hun geslaagen,
En wat al smarts dat uw gewondde lydt,
Vertellen sy, te schamper, alle daagen.