2.
Hy is 't, die al uw onrecht, naa uw smeeken,
U gaarn vergeeft, uw krankheit, en gebreeken
Alsins geneest, en u van vuil verschoont.
Die u verlost, met syn rantsoen te geeven,
Van 't helsch verderf, ten nutte van uw leeven,
En, met genaa, barmhartig ryklik kroont.