3.
Ai my, dat ik, by Mesechs erven,
Zo ruimen tyd, als vreemd, moest swerven!
Zo lang, by Kedars woeste soonen,
In syne wilde tent, bleef woonen!
En, als van God, en mensch verlaaten,
Noch woon by die den vreede haaten,
Wat valt dat voor myn ziele bang?
Helaas, het duurt haar veel te lang.