10.
Ik ben, helaas, een vreemdeling op aard,
Verberg my dan nooit uw geboode weegen,
Maar wys my die, zo gaa ik onvervaart.
Myn ziele breekt, als t'aller tyd verleegen,
Van groot verlang na 't geen uw recht verklaart,
Om wysselyk uw oordeel t'ooverweegen.