Het tweede gebod.
Gy zult u geen gesneeden beeld, noch eenige gelykenisse maaken, [van het geene] dat booven in den heemel is, noch [van het geene] dat onder op der aarde is, noch [van het geene] dat in de waateren, onder de aarde is. Gy zult u voor die niet buigen, noch hun dienen: want ik de Heere, uwe God, ben een yvrig God, die de misdaad der vaaderen besoeke aan de kinderen, aan het derde, ende aan het vierde [lid] der geener dieme haaten, ende doe barmhartigheit aan duisenden der geener, dieme liefhebben, ende myne gebooden onderhouden.