13.
Dees groote zee, welks wyde wildernis
Seer ruim, en lang, aan beide syden is,
Daar krielt het in van wriemelende dieren,
Die klein, en groot, doorgaans ontellik swieren.
Daar wandelen de scheepen onbevreest,
Daar swemt, en swerft de wallevisch, dat beest,
Van u gemaakt, om daar in voort te teelen,
En, naa syn lust, in haaren plasch, te speelen.