7.
Hy kloofde 't meir, en sloot het waater oopen,
Het weedersyds zo doende staan, als hoopen,
En voerde daar hen alle droog door heenen.
Hy leidde 's daags, in eene wolk verscheenen,
En al den nacht, als in een vierpilaar
Van glantsend licht, hun heir, en gansche schaar.