12.
Schoon vorsten self, als stout op hunne magt,
Loos teegen my, te saam geseeten, spraaken,
Noch heeft uw knecht uw instels wil betracht.
Ook blyft my uw getuigenis vermaaken,
Ik house voor myn raadsliên steeds in acht,
Sy geeft my raad in allerhande saaken.