3.
Welsaalig is ook 's menschen staat,
Wiens hart sich sterk op u verlaat,
Sich baanende de rouwste weegen.
Die gaande door het moerbeidal,
Dat, als een beek, en oover al
Bedekt van seegenryken reegen,
Sich welgetroost voor oogen stelt,
En om haar droogte sich niet quelt.