6.
Verlieten my myn vaader, en myn moeder,
De Heere neemt my doch genaadig aan,
Leer my uw weg, lei, Heer, my, als myn hoeder,
In 't rechte pad, om myn verspiêrs t'on gaan.
Geef nooit myn ziel aan 's vyands lust ten buit,
Want, sie, daar rees ook teegen my een schaar,
Die valsch getuigt, met een geweidenaar,
Die, sonder recht, my uitmaakt voor een guit.